Wij koesteren de vleermuizen en bouwen zelfs een speciaal huis voor ze

17-05-2024
195 keer bekeken

Als je de ambitie hebt om bij de verbreding van een snelweg ook oog te hebben voor het ecologische leven naast de snelweg, dan zijn daar speciale maatregelen voor nodig.

Want dat er veel leven naast de snelweg is, dat is een ding wat zeker is, zo bleek al eerder uit het artikel dat we hierover schreven: De Dieren van de A1. In dit artikel nemen we je mee in hoe we een speciale bewoner van de A1 beschermen: de vleermuis. We gingen daarvoor langs bij Martijn de Haan, Adviseur eco-engineering bij Rijkswaterstaat en Bas van den Broek, Ecoloog bij Heijmans.

Nachtdieren

Deze kleine zoogdiertjes zijn vooral nachtdieren; overdag verschuilen ze zich in spleten, grotten en verlaten schuilplaatsen. Vleermuizen zijn van groot ecologisch belang vanwege hun rol in de bestuiving van bloemen en het verspreiden van zaden. Daarnaast zorgen vleermuizen ervoor dat insectenplagen beperkt blijven en is het gebruik van pesticiden veel minder nodig. Nuttige diertjes dus. Wist je trouwens dat de kleinste soorten 2,9 tot 3,4 centimeter lang zijn, 2,0 tot 2,9 gram wegen en een spanwijdte van 15 centimeter hebben?

Of de voorziening ook daadwerkelijk gebruikt worden gaan we in de gaten houden met speciale monitoringsapparatuur 

Speciaal huis

In Nederland is de gewone dwergvleermuis -zoals ze officieel heten- een beschermd dier en dienen er aparte voorzieningen voor worden getroffen, zo ook rondom de A1. Naast het ophangen van diverse vleermuiskasten wordt er in de buurt van de Brinkenweg in Apeldoorn een wel heel bijzondere voorziening voor deze kleine diertjes getroffen. Daar wordt een speciaal “huis” voor ze aangelegd in dit viaduct. In totaal zijn er daar vier vleermuisvoorzieningen geplaatst in de randelementen van de bovenzijde van het viaduct. Door de voorziening op deze manier te plaatsen wordt er geen afbreuk gedaan aan de eisen van vormgeving van dit viaduct.

De vleermuizenvoorziening in de onderdoorgang aan de Brinkenweg (Apeldoorn). In totaal zijn er hier vier gemaakt.

 

Sparing

De vleermuisvoorziening zit in een sparing achter het nieuwe randelement van het viaduct aan de Brinkenweg. Hierdoor ontstaat een ruimte waar de vleermuisvoorziening bevestigd is. Het bestaat uit een stalen plaat wat een stukje uitsteekt zodat de vleermuizen er op kunnen landen.

 

De vleermuizenvoorziening bij de Brinkenweg (Apeldoorn), van onderaf gezien.

 

Martijn, waarom hebben we juist op deze locatie deze voorziening gemaakt?

“In deze onderdoorgang aan de Brinkenweg zijn verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis al opgenomen in de ontwerpfase. Dit omdat bij de verbreding van de A1 enkele verblijfplaatsen van de vleermuizen verdwenen. Als compensatie van het verlies van deze verblijfplaatsen zijn deze voorzieningen in het ontwerp van de onderdoorgang aangebracht. Door het tijdig in de ontwerpfase van het viaduct op te nemen is het een onderdeel geworden van het geheel. Vanaf de buitenzijde valt het niet op en aan alle functies kan worden voldaan”.

Vleermuizen maken gebruik van echoën om hun verblijfplaats te vinden. Hoe zit dat precies?

Bas: “Vleermuizen maken gebruik van echolocaties om zich te oriënteren in het landschap en om insecten de detecteren. Afhankelijk van de soort maakt een vleermuis gebruik van met name “lijnvormige” elementen in het landschap, zoals bomenrijen, beplanting in vorm van struiken en bosjes. Zo verplaatst de vleermuis zich van zijn verblijfplaats op zoek naar voedsel. In een dergelijke lijn mag geen grote onderbreking zijn, want anders werkt de echolocatie niet”.

Moet de verblijfplaats nog aan bepaalde eisen voldoen?

Martijn: “Het is belangrijk dat er rekening wordt gehouden met de eisen die de soort vleermuizen stelt aan de verblijfplaats. Denk daarbij aan de grootte van de invliegopening en de plek van de voorziening ten opzichte van het omringende landschap. Maar ook aspecten als: dat er niet direct verlichting op schijnt en dat spleet via de omgeving ook bereikbaar is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de beplanting die aansluit bij de onderdoorgang en de omgeving.

Hoe weten we dat deze voorziening ook daadwerkelijk gebruik gaat worden?

Bas: “Daar komen we achter door dit te monitoren. Het is met het blote oog waar te nemen of de vleermuizen de spleet weten te vinden. Dat zal vooral bij het vallen van de duisternis zijn. Maar we gaan ook de uitgezonden signalen van de vleermuis opvangen met een Bat detector. Afhankelijk van de frequentie van het uitzenden en opgevangen signaal weet je om welke soort vleermuis het gaat en weet je dus dat ze er zijn. Dat gaan wij dus de komende tijd ook doen. We hebben echter goede hoop dat ze de vleermuisvoorziening zeker gaan vinden”.

Hoofdfoto: Pixabay

 

 

Afbeeldingen

Cookie-instellingen